De spellingcategorieën

  • Hakwoord: Ik schrijf het woord zoals ik het hoor.
  • Zingwoord: Net als bij ding dong.
  • Luchtwoord: Korte klank + cht met de ch van lucht behalve bij hij ligt, hij legt, hij zegt
  • Plankwoord: Daar mag geen g tussen.
  • Eer-oor-eur woord: eer-woord, ik schrijf ee; oor-woord, ik schrijf oo; eur-woord, ik schrijf eu; eel-woord, ik schrijf ee.
  • Aai-ooi-oei woord: Ik hoor de j, maar ik schrijf de i.
  • Eeuw-ieuw woord: Ik denk aan de u.
  • Langermaakwoord: Ik hoor een t aan het eind, dus langer maken. Ik hoor of ik d of t moet schrijven. Langermaakwoord (2): Eind-b rijtje, dus langer maken. Ik hoor dat ik een b moet schrijven.
  • Voorvoegsel: Ik hoor de u, maar ik schrijf de e.
  • Klankgroepenwoord: Klankgroep is… Laatste klank is …Dat is een 2-tekenklank of medeklinker, dan schrijf ik het woord zoals ik het hoor. Dat is een korte klank, dan schrijf ik de … dubbel. Dat is een lange klank, dan gum ik een stukje van de … weg.
  • Verkleinwoord: Grondwoord is … Dat is een … woord. Dan –je, -tje, -pje erachter. Ik hoor de u, maar ik schrijf de e.
  • Achtervoegsel –ig: Ik hoor ug, maar ik schrijf ig. Achtervoegsel –lijk: Ik hoor luk, maar ik schrijf lijk.
  • Kilowoord: Ik hoor de ie, maar ik schrijf de i.
  • Komma-s woord: Eerst de komma, dan de s.
  • Centwoord: Ik hoor de s, maar ik schrijf de c.
  • Komma-s meervoud: Meervoud en lange klank aan het eind: komma s behalve bij ee.
  • Politiewoord: Ik hoor tsie, maar ik schrijf tie.
  • Colawoord: Ik hoor de k, maar ik schrijf de c.
  • Tropisch woord: Ik hoor ies, maar ik schrijf isch.
  • Taxiwoord: Ik hoor ks, maar ik schrijf x.
  • Chefwoord: Ik hoor sj, maar ik schrijf ch.
  • Theewoord: Ik hoor de t, maar ik schrijf th.
  • Caféwoord: Met een streepje op de é.
  • Cadeauwoord: Ik hoor oo, maar ik schrijf eau.
  • Routewoord: Ik hoor oe, maar ik schrijf ou.
  • Garagewoord: Ik hoor zj, maar ik schrijf g.
  • Lollywoord: Ik schrijf de Griekse y.
  • Tremawoord: Puntjes op de …
  • Militairwoord: Er zijn geen regels die bepalen of het woord met ‘air’ geschreven moet worden.
  • Koppelteken: Er komt een koppelteken bij:
    - samenstellingen met een klinkerbotsing, bijvoorbeeld: zee-egel.
    - samenstellingen met een aardrijkskundige naam, bijvoorbeeld: Noord-Brabant
    - samenstellingen met een afkorting, bijvoorbeeld: tv-gids.
    - samenstellingen met ex, oud en bij klaar-over, bijvoorbeeld: ex-collega.
  • Trottoirwoord: Dit zijn Franse leenwoorden, deze moet je veel oefenen.
  • Tussen-e: De tussen-e komt voor bij samenstellingen waarbij:
    - de hele samenstelling een bijvoeglijk naamwoord is, bijvoorbeeld: reuzeleuk.
    - het eerste woord geen zelfstandig naamwoord is, bijvoorbeeld: verrekijker.
    - het eerste woord geen meervoud heeft of (ook) een meervoud op –es, bijvoorbeeld: secondewijzer.
    - het eerste woord zon, maan of koningin is.
  • Trema meervoud: Woorden met ee of ie aan het eind en meervoud op –en krijgen een trema.
    Bij woorden met ee en ie achteraan, schrijf ik er ën achter. Bijvoorbeeld: zeeën en kopieën.
    Er zijn vijf uitzonderingen: bacteriën, koloniën, oliën, poriën en financiën.
  • Latijns voorvoegsel: Deze voorvoegsels zijn Griekse of Latijnse voorvoegsels (ad, ab, ob en sub). Er zijn geen regels voor het schrijven van deze voorvoegsel, deze moet je veel oefenen.

Extra ondersteuning:

Staal maakt gebruik van twee posters in de klas. Deze hebben betrekking op de tweetekenklanken ei/ij en au/ou. Om goed te onthouden met welke twee tekens je de klank moet schrijven, kunnen de leerlingen gebruik maken van de EI- en de AU-plaat. Tevens hoort bij iedere plaats een rap. De woorden die voorkomen op de EI- of de AU-plaat schrijf je ook met bijbehorende tekens. Komt een woord niet voor op deze platen, dan schrijf je dit woord met de IJ of OU. Deze regel heeft betrekking op de woorden waarmee de leerlingen oefenen.